Autisme

Diagnostische Criteria voor Autisme - DSM IV Bron: Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fourth Edition (DSM IV) Laatste inhoudelijke wijziging: 16 december 1996 (DSM IV isdn 90 265 1402).

DIAGNOSTISCHE CRITERIA VOOR 299.00 AUTISME

  • Een totaal van 6 (of meer) eigenschappen uit groep (1), (2) en (3), met minimaal twee uit groep (1) en minimaal één uit groep (2) en (3)
    • Kwalitatief gebrek in de sociale omgang, dat tot uiting komt in minimaal twee van de volgende:
      • Duidelijke tekortkoming in het gebruik van meerdere non-verbale gedragingen, zoals het maken van oogcontact, gebruik en begrip van gezichtsuitdrukkingen, lichaamshouding en gebaren die gebruikt worden om sociale interactie mee te reguleren.
      • Het moeilijk kunnen onderhouden van gelijkwaardige relaties zoals normaal zou moeten zijn voor het ontwikkelingsniveau.
      • Het ontbreken van een spontaan willen delen van blijheid, van interesses, of het trots spontaan willen laten zien dat men een bepaald doel bereikt heeft. (men komt bijvoorbeeld niet iets laten zien of brengen, of men wijst geen dingen aan die men interessant vindt)
      • Een gebrek aan sociale of emotionele wisselwerking (noot: in de beschrijving worden de volgende voorbeelden gegeven: Niet actief deelnemen aan eenvoudige rolspelen of spelletjes met anderen. De voorkeur geven aan solitaire bezigheden (graag alleen willen bezig zijn), waarbij anderen hooguit worden gebruikt als hulpmiddel of gereedschap.)
    • Kwalitatief gebrek in communicatie, dat tot uiting komt in minimaal één van de volgende:
      • Een vertraging in, of totaal ontbreken van de ontwikkeling van gesproken taal (niet samengaand door een poging dit te compenseren met alternatieve vormen van communicatie zoals gebaar en mimiek/gelaatsuitdrukkingen) [kanttekening van de webmaster: Bij het Syndroom van Asperger ziet men echter wel een vroege taalontwikkeling. Maar dan is het vaak een wat ouwelijk, hoogdravend taalgebruik]
      • Bij individuen met toereikende spraak, heeft men wel een duidelijk gebrek in de mogelijkheid een gesprek met anderen te beginnen of in stand te houden.
      • Stereotype en zich herhalend gebruik van taal of eigenaardig taalgebruik.
      • Gebrek aan gevarieerd, spontaan 'doen-alsof' spel of sociaal 'nadoen' spel, behorend bij het niveau van ontwikkeling.
    • Beperkt zich herhalend en stereotiep gedragspatroon, interesses en activiteiten, dat tot uiting komt in minimaal twee van de volgende:
      • Zich overgeven aan / steeds willen bezighouden met / opgaan in één of meerdere stereotype en beperkte interesses die abnormaal zijn wat betreft intensiteit of gerichtheid.
      • Ogenschijnlijk inflexibel vasthouden aan bepaalde, niet-functionele (je hebt er niets aan) gewoonten of rituelen.
      • Stereotype en herhalende motorieke handelingen (bijvoorbeeld hand of vinger flapperen of draaien, of complexe bewegingen van het hele lichaam)
      • Hardnekkige obsessie voor onderdelen van voorwerpen.
  • Achterstand of abnormaal functioneren op minimaal één van de volgende gebieden, beginnend in de periode vóór het derde levensjaar.
    • Sociale omgang met anderen
    • Taal zoals gebruikt in sociale communicatie
    • Symbolische of denkbeeldige spellen
  • De afwijking voldoet niet beter aan de criteria die horen bij Rett's Disorder of Childhood Disintegrative Disorder